De lidstaten van de Europese Unie hebben afspraken gemaakt over welk land er verantwoordelijk is voor een asielzoeker. Om de verantwoordelijkheid (snel) vast te stellen is er een Europese databank (Eurdac) opgericht waarin alle vingerafdrukken worden opgenomen, met daarbij de informatie welk land de vingerafdrukken het eerst heeft afgenomen. Bij binnenkomst in Nederland worden vingerafdrukken genomen en gecontroleerd in het Eurodac systeem.  Bij het vermoeden van de IND dat iemand al eerder in een ander land asiel heeft aangevraagd (vaak door een ‘hit’ van het Eurodac systeem),  komt de asielzoeker eerst in een “Dublinprocedure” terecht zonder dat er inhoudelijk naar het asielverzoek wordt gekeken. Tijdens deze Dublinprocedure wordt dan de verantwoordelijke lidstaat vastgesteld.

Door deze afspraken op Unierechtelijk niveau te maken wordt voorkomen dat landen lang bakkeleien over de verantwoordelijkheid ten koste van de vreemdeling die niet weet waar hij of zij aan toe is en om te voorkomen dat asielzoekers na een afwijzing het opnieuw gaan proberen in een andere lidstaat. Deze afspraken zijn neergelegd in de Dublinverordeningen. Verordening 604/2013  is het belangrijkst. In deze Dublinverordening zijn allerlei termijnen opgenomen waarvan niet kan worden afgeweken. Het doel van de richtlijn is: zo snel mogelijk vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de (aanvraag van de) asielzoeker.

Als een lidstaat een andere lidstaat verantwoordelijk stelt voor de afhandeling van de procedure en deze tweede lidstaat reageert niet binnen de termijn, dan verschuift de verantwoordelijkheid naar deze tweede lidstaat. Zo is er een redelijk waterdicht systeem opgezet. In mijn praktijk betekent dit dat er altijd gecontroleerd wordt of alle termijnen wel goed zijn nagekomen, of er niet iemand te laat heeft gereageerd of juist te lang heeft gewacht met het ondernemen van actie.

Duitsland en Nederland stellen elkaar al geruime tijd in een groot aantal zaken verantwoordelijk voor asielzoekers. De laatste tijd lijken zij een nieuwe methode te ontwikkelen, die indruist tegen de doelstelling van de richtlijn; de heroverwegingsprocedure. Ik zal deze procedure beschrijven aan de hand van een voorbeeld.

Heroverwegingsprocedure

Nederland stelt in een Dublinprocedure Duitsland verantwoordelijk omdat blijkt dat cliënt zijn vingerafdrukken in Duitsland heeft afgegeven. Duitsland reageert binnen de termijn en geeft aan dat zij niet verantwoordelijk zijn omdat er geen asielprocedure in behandeling is[1]. Volgens de Uitvoeringverordening kan Nederland Duitsland binnen een termijn van drie weken om heroverweging verzoeken, dit is gebeurd. Daarna is het maandenlang stil. Vanuit Nederland wordt er niet gerappelleerd op het openstaande verzoek en van Duitsland komt er maar geen antwoord. Van meerdere IND ambtenaren ontving ik het antwoord dat er ‘geen termijn staat voor het geven van antwoord op het heroverwegingsverzoek’ dus cliënten moeten maar blijven wachten.

Blijven wachten op antwoord, in sommige van mijn zaken is er inmiddels al ruim een half jaar verstreken. Deze mensen weten niet waar ze aan toe zijn en/of willen hun procedure starten in verband met familieleden die nog in het land van herkomst verblijven. Dit druist in tegen de doelstellingen van de Dublinverordening (die vol staat met termijnen waarvan niet afgeweken kan worden; ‘harde termijnen’). De Uitvoeringsverordening zegt echter wel iets over de reactietermijn op het heroverwegingsverzoek. Artikel 5 lid 2 Uitvoeringsverordening stelt:

(…) De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden. (…)

In mijn bescheiden opinie zou deze termijn ook moeten gelden als een ‘harde termijn’ waarvan niet afgeweken kan worden, het doel van de richtlijn staat immers niet toe dat de lidstaten hun tijd nemen en pas na maanden actie ondernemen. Deze regeling tussen Nederland en Duitsland neemt het ‘nuttig effect’ van de richtlijn weg. Twee weken is ook geen vreemde termijn. Indien er vingerafdrukken in het Eurodac systeem staan en Nederland de verantwoordelijkheid legt bij Duitsland (en een eerste verzoek doet om de vreemdeling terug te nemen of over te nemen) dan heeft Duitsland ook maar twee weken de tijd om te reageren. De termijn van twee weken komt dus niet zomaar uit de lucht vallen en is ingesteld met het oog op het doel van de richtlijn.

 

Hoe nu verder?

Uit de praktijk blijkt dat de Duitse autoriteiten hun tijd nemen om te antwoorden op het heroverwegingsverzoek. In mijn praktijk probeer ik bepaalde zaken nu voor de rechter te krijgen. Mijn stelling is namelijk dat de reactietermijn voor Duitsland om te reageren op het heroverwegingsverzoek twee weken is. Indien Duitsland niet reageert binnen twee weken dan verschuift de verantwoordelijkheid tóch naar Duitsland (dit heet fictieve acceptatie[2]). Vanaf het moment dat de twee weken verstreken zijn gaat de overdrachtstermijn lopen[3]. Zijn de zes maanden voorbij, dan is Nederland verantwoordelijk en zou de asielzoeker dus in Nederland zijn asielprocedure moeten doorlopen.

De IND weigert op dit moment de verantwoordelijkheid op zich te nemen in één van mijn zaken waarin dit nu speelt, deze probeer ik zo snel mogelijk voor de rechter te krijgen zodat een rechterlijke instantie deze rechtspraktijk kan beoordelen.

Voor zover ik weet is hier nog geen jurisprudentie over, mocht dit wel zo zijn dan hoor ik dit graag.

Mocht u nog vragen hebben, neemt u dan vooral contact met mij op via: berg@colletalkmaar.com of telefonisch: 06 30 80 20 75.


 

[1] Op dit punt wordt momenteel ook veel geprocedeerd maar dit onderwerp laat ik even buiten beschouwing in dit artikel.

[2] Het mag immers niet zo zijn dat de verantwoordelijkheid kan worden ontweken door niet te reageren

[3] Nederland dient binnen een termijn van zes maanden nadat duidelijk is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is, de asielzoeker feitelijk overdragen aan die lidstaat anders wordt Nederland alsnog verantwoordelijk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *