Op 8 juli 2015 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over de beoordeling van de geloofwaardigheid van homoseksuele asielzoekers.

In veel landen zijn homoseksuelen niet veilig. Homoseksualiteit is daar strafbaar gesteld en/of wordt in de maatschappij niet geaccepteerd. Als homoseksueel leef je in dit soort landen continu in angst. Het is dan ook een reden om uit deze landen te vluchten; een asielmotief.

 

In deze zaak gaat het om drie asielzoekers die in hun eerste of tweede asielaanvraag tegenover de IND hebben verklaard niet terug te kunnen naar het land van herkomst in verband met hun seksuele gerichtheid.

 

De eerste asielaanvraag van meneer A is afgewezen omdat zijn gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig werd geacht door de IND. Tijdens zijn tweede asielaanvraag verklaarde hij bereid te zijn een test te ondergaan die dit zou moeten aantonen of ondersteunen. De IND wees ook deze aanvraag af, de geloofwaardigheid van zijn verhaal was niet aangetoond.

Meneer B heeft tijdens zijn eerste aanvraag al tegenover de IND verklaard homoseksueel te zijn. De IND wees zijn aanvraag af omdat zijn verklaringen betreffende de seksuele gerichtheid van meneer B te vaag, te summier en ongeloofwaardig waren.

Meneer C heeft pas tijdens zijn tweede asielaanvraag tegenover de IND verklaard dat hij homoseksueel is. Hij heeft ter onderbouwing hiervan zelfs een video-opname overgelegd waarin hij intieme handelingen verricht met een andere man. Ook zijn aanvraag werd ongeloofwaardig geacht en afgewezen, hij had zijn gestelde seksuele gerichtheid in de eerste procedure naar voren moeten brengen. Daarnaast heeft hij enkele vragen niet duidelijk toegelicht.

 

A, B, en C zijn in beroep en later in hoger beroep gegaan tegen de beslissingen van de IND. De hoogste Nederlandse bestuursrechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit zijn vragen tot uitlegging van het Europese recht, waarvan de antwoorden nodig zijn om de rechtsvragen in de nationale procedure te beantwoorden. De vragen van de Raad van State zijn door het Hof van Justitie van de Europese Unie beantwoord op 2 december 2014.

De Raad van State heeft in het arrest van vandaag met behulp van de antwoorden van het Europese Hof van Justitie uitspraak gedaan.

 

De Raad van State behandelt in de uitspraak drie belangrijke punten:

  1. Moment waarop over een seksuele gerichtheid wordt verklaard;
  2. Grenzen aan de beoordeling van een seksuele gerichtheid;
  3. Beoordeling van een seksuele gerichtheid.

1) Moment waarop over een seksuele gerichtheid wordt verklaard

Bij het indienen van een tweede asielaanvraag is één van de vereisten dat zich een nieuw feit of omstandigheid heeft voorgedaan. Dit betekent in dit geval dat indien de man in het land van herkomst homoseksueel is, hij dit in de eerste procedure naar voren dient te brengen. In de tweede aanvraag is dit geen nieuw gegeven meer, meneer wist immers dat hij homoseksueel is en had dit in de eerste procedure naar voren moeten brengen.

De Raad van State heeft nu, op basis van de antwoorden van het Hof van Justitie gesteld dat de seksuele gerichtheid erg gevoelig kan liggen bij de asielzoeker.

Gelet op de gevoeligheid van vragen over iemands persoonlijke levenssfeer en met name zijn seksualiteit, kan uit het enkele feit dat deze persoon, wegens zijn terughoudendheid bij het onthullen van intieme aspecten van zijn leven, niet meteen heeft verklaard homoseksueel te zijn, niet de conclusie worden getrokken dat hij niet geloofwaardig is[1].

Er moet dus rekening worden gehouden met de kwetsbaarheid van de asielzoeker, men kan niet zomaar zeggen dat hij deze reden eerder had moeten opgeven als grond om hier in Nederland te blijven. Het mag hem dus niet worden kwalijk genomen dat hij zijn seksuele gerichtheid voor zich heeft gehouden.

2) Grenzen aan de beoordeling van een seksuele gerichtheid

Het beleid van de IND op het punt van de manieren om erachter te komen of iemand homoseksueel is voldoet aan het recht van de Europese Unie.

Uit het beleid van de IND vloeit voort dat tijdens gehoren geen vragen mogen worden gesteld over seksuele activiteiten en seksuele handelingen van een vreemdeling. Indien een vreemdeling daarover uit eigen beweging verklaart, dan betrekt de staatssecretaris, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, die verklaringen niet bij zijn onderzoek en beoordeling. (…) Ook in overeenstemming met het arrest (van het Hof van Justitie red.) is dat de staatssecretaris beeldmateriaal van seksuele handelingen van een vreemdeling niet betrekt bij zijn onderzoek en beoordeling. Een aanbod van een vreemdeling handelingen van de strekking te verrichten, dergelijke handelingen vast te leggen of medisch onderzoek te ondergaan (…) wijst de staatssecretaris af. (…)[2]

3) De beoordeling van de seksuele gerichtheid

De IND dient op basis van de wet altijd een zorgvuldig en gemotiveerd besluit te nemen. Het moet dus duidelijk zijn hoe de beoordeling in een zaak heeft plaatsgevonden. Het soort vragen dat wordt gesteld en de manier waarop de antwoorden tegen elkaar worden afgewogen is hierbij van groot belang, aldus de Raad van State.

De IND heeft echter geen duidelijk beleid ontworpen over de beoordeling van de geloofwaardigheid van homoseksuele asielzoekers. Het is niet duidelijk welke soort vragen er in dit soort procedures worden gesteld. Het is ook niet duidelijk hoe de antwoorden op deze vragen worden beoordeeld, welk gewicht er wordt toegekend aan de verklaringen van de vreemdeling en waar het zwaartepunt in dit soort zaken ligt.

Omdat er nog zoveel onduidelijk is aan de werkwijze van de IND in dit soort procedures en het ontwerpen van richtlijnen en werkwijzen een taak van het bestuur is en niet aan de rechter kan de rechter de IND niet controleren. Nu de IND niet duidelijk kenbaar heeft kunnen maken op welke wijze de onderzoeken in de zaken van meneer A, B en C zijn verricht, is er niet voldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van de heren A, B en C ongeloofwaardig zijn. De Raad van State heeft de IND nu opnieuw de opdracht gegeven om op grond van de gedane uitspraak van het Raad van State opnieuw te beslissen op de aanvragen van de heren A, B en C.

 

Mocht u nog vragen hebben, neemt u dan vooral contact met mij op via: berg@colletinternational.com of telefonisch: 06 30 80 20 75.

 

In dit artikel heb ik voor de leesbaarheid in plaats van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de IND genoemd. De IND is onderdeel van de portefeuille van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de uitspraak van de Raad van State is dan ook gericht tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunt u hier vinden.

De uitspraak van de Raad van State kunt u hier vinden.

[1] HvJEU 2 december 2014 C-148/13 t/m C-150/13 r.o. 69

[2] ABRvS 8 juli 2015 201208550/1/V2, 201110141/1/V2, 201210441/1/V2 r.o. 6.3 en 6.4

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *